logo Historische Vereniging Schiedam
> Startpagina > De Geschiedenis van Schiedam

Stad en bestuur


De naam van de stad
het gegeven "dam in de Schie" weerspiegelt zich in de naam van de stad.

Het wapen en de vlag van Schiedam vinden hun oorsprong bij wapen en kleuren van de familie Avesnes.

Hoofdonderwijzer A. Baan verrijkte in de eerste helft van de twintigste eeuw de stad met een stedelied.

Stedelijke onderscheidingen.

De stad kent een tweetal onderscheidingen die bij besluit van Burgemeester en Wethouders van Schiedam kunnen worden toegekend aan personen, die zich voor de stad hebben verdienstelijk gemaakt.

De Aleidapenning is een onderscheiding die in 1987 is ingesteld.

De MCM de Groot-speld is als stedelijke onderscheiding in 2003 ingesteld.

Van Baljuw tot Burgemeester

De functie van burgemeester als voorzitter van de gemeenteraad, zoals wij die nu kennen, stamt uit de 19e eeuw. Tot het eerste kwart van de zeventiende eeuw presideert de door hoger bestuur benoemde baljuw het stadsbestuur, daarna een van de burgemeesters. Op het eerste gezicht lijken de functies op elkaar, maar dat is slechts schijn. De baljuw en de burgemeester van toen hadden andere taken dan de burgemeester van nu.

Het stadsbestuur van Schiedam

Vrouwe Aleida van Henegouwen, dochter van Graaf Willem IV van Holland en Machteld van Brabant, keert na het overlijden van haar man, Jan van Avesnes − eind 1257 − uit Henegouwen naar Holland terug. Zij vestigt zich aan de Schie en bouwt het kasteel Huis te Riviere waarvan een stukje ruïne thans nog aan het Broersvest is te zien. In 1275 verleent zij Schiedam stadsrecht.

Lokaal bestuur en hogere overheid

Met het verleende stadsrecht verkrijgt de kleine stadsgemeenschap lokale autonomie. Naast de door hoger gezag benoemde baljuw mogen de poorters hun eigen stadsbestuur, schout en (zeven) schepenen, aanwijzen. Samen met de vertegenwoordiger van de landsheer, de baljuw, vormen zij het hoogste gezag in de stad. Zij spreken recht, voor zover het tenminste geen halszaken betreft(waar lijfstraffen/ doodstraf op staan)  en besturen de stad. Al vrij snel in 1294, is er sprake van een dagelijks bestuur bestaande uit een tweetal burgemeesters (borgemeesters).

Op 23 december 1351 vernieuwt Graaf Willem V de regeling omtrent de wijze van verkiezing van het stadsbestuur. Jaarlijks op de eerste dinsdag na 2 februari benoemt de baljuw de schepenen en de raden (burgemeesters). De aftredende bestuurders leggen verantwoording af aan de nieuw aangetredenen

In 1463 geeft hertog Philips van Bourgondië een uit de vroedschap van Schiedam gevormd kiescollege van eenentwintig personen de bevoegdheid uit zijn midden twee burgemeesters en twee thesauriers aan te wijzen. De baljuw kiest uit de overgebleven zeventien personen de zeven schepenen. Door het besluit van de hertog ontstaat een vaste vroedschap. Voordien was het gebruikelijk alle poorters bijeen te roepen als er belangrijke beslissingen moesten worden genomen. Door de toename van het inwoneraantal kan dat echter niet meer. Daarom gaat men er toe over uit de meest op de voorgrond tredende personen 'vroeden' (wijzen) aan te wijzen. Een burgemeester uit die tijd is Pieter Jacobszoon Veenlant. In februari 1489 is hij gastheer van keizer Maximiliaan, die Schiedam bezoekt. Bij deze gelegenheid tekent de keizer in Schiedam het besluit waarbij hij aan de stad Amsterdam vergunning verleent zijn kroon boven het wapen te voeren. In 1528 worden de lokale bevoegdheden tot het benoemen van eigen bestuurders door Karel V weer ingeperkt.

Met de opstand van 1572 kiest de stad de zijde van Willem van Oranje. Het stadsbestuur blijft op drie man na in functie. Katholieken zijn in het vervolg van de openbare ambten uitgesloten. In 1576 koopt de stad het Baljuw- en Schoutsambt van de Staten van Holland. Een inbreuk op het privilege dat Schiedam het eigen stadsbestuur mag kiezen is in 1618 een optreden van Prins Maurits. De prins heeft in de godsdienststrijd tussen de remonstranten en de contra-remonstranten de zijde van de laatstgenoemde groep gekozen en gaat de steden langs om deze van remonstranten te zuiveren. De vroedschap wordt bijeengeroepen op het stadhuis en hij ontbindt deze. Vervolgens wordt door hem − met als motief dat het landsbelang dit vordert - een nieuwe vroedschap benoemd waarin geen remonstranten zitting hebben.

De veranderingen in de positie van de baljuw leiden er toe dat de Schiedamse vroedschap  in 1629 een resolutie vaststelt volgens welks besluit de baljuw niet langer zitting mag in de vroedschap mag hebben. De Staten van Holland verlenen in 1650 aan de steden het recht de eigen magistraatspersonen aan te stellen. In reactie daarop vraagt de Schiedamse stadsregering het recht om drie in plaats van twee burgemeesters te mogen aanwijzen. Dat wordt toegestaan.

In 1672 ontstaat onrust omdat Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen de Verenigde Republiek de oorlog verklaren. In Den Haag delft Johan De Witt, Raadspensionaris, het onderspit. De tweeëntwintigjarige Prins Willem III wordt tot stadhouder benoemd. Ook Schiedam ontstaat een stroming ten gunste van de prins en op 30 juni 1672 kiest men zijn zijde. De keuze van de stad had overigens bestuurlijke consequenties voor de magistraatsbenoemingen, men raakt deze weer kwijt en de bevoegdheid komt eerst met de dood van Willem III weer terug bij de vroedschap.

Het stadsbestuur onder druk

In de tweede helft van de achttiende eeuw zijn signalen waarneembaar dat bevoorrechting van de bovenklasse niet langer wordt geaccepteerd, een zekere drang tot democratisering. Op 19 augustus 1748 wordt in de vroedschap een rekest besproken, ondertekend door 114 leden van de schutterij en op 11 november 1748 komt er een door 159 burgers ondertekend verzoekschrift bij het stadsbestuur binnen. Naast voorziening in een aantal praktische zaken gaat het om het benoemingsrecht van officieren, vrije verkiezing van de hoofdlieden van de gilden, van predikanten en van uitbreiding van het aantal leden van de vroedschap. De stedelijke regering ziet de ontevredenheid van de burgers maar wil niet buigen. Zij besluit daarom de rekesten ter behandeling door te sturen naar de stadhouder, vergezeld van het bericht dat zij  hun ambten ter beschikking stellen. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. De vroedschap wordt medegedeeld dat alle leden overeenkomstig hun verzoek zijn ontslagen. Vervolgens worden negentien van de twintig leden, tezamen met vijf nieuwe personen (her-)benoemd. Daarmee was aan een van de eisen in het rekest voldaan. Evenals aan een aantal andere wensen, echter niet aan de verzoeken om vrije verkiezing van personen in diverse functies.

Op 20 januari1795 treedt een uit acht man bestaand revolutionair comité, onder wie Gosewyn Jan Lonq, Jacobus en Cornelis Nolet en Jacobus van Waterschoot, naar buiten. Bij monde van Lonq eist het comité het aftreden van het oranjegezind stadsbestuur. Reeds een dag later wordt een nieuw samengesteld stadsbestuur  gevormd. Daarin hebben in het vervolg ook katholieken zitting. Aan de verzamelde burgerij wordt een ploeg van eenentwintig nieuwe vroedschapsleden voorgesteld. Men aanvaardt de voordracht. De burgers stellen daarnaast voor Lonq vanwege zijn verdienste voor het omwentelingswerk als tweeëntwintigste te benoemen. De dag er op, 22 januari, vallen Franse troepen de stad binnen en begint een heel ander tijdperk onder Frans bestuur. In 1808 wordt Cornelis Nolet − als eerste rooms-katholiek − burgemeester van Schiedam. Hij treedt in 1811 af en wordt opgevolgd door Cornelis Heereman die in 1795 als lid van de vroedschap is afgezet.

Op 17 november 1813 verlaten de Fransen Schiedam en op 30 november daaraanvolgend kiest de stad de zijde van de Prins van Oranje. Burgemeester Heereman blijft in functie. Hij is voorzitter van een raad van 22 leden Er zijn drie burgemeesters. Alle revolutionaire gebeurtenissen ten spijt blijft het stadsbestuur in handen van een kleine selecte groep. De raad wordt toen gekozen door een kiescollege van circa 400 personen op een bevolking van ongeveer 10.000.

Het stadsbestuur vanaf 1851

Vanaf 1851 is er een nieuwe gemeentewet en wordt de gemeenteraad het eerst verantwoordelijk bestuursorgaan. De leden worden voor zes jaar gekozen. Om de twee jaar treedt éénderde van hen af.  Alleen mannen van boven de 23 jaar die voor een bepaald bedrag in de directe belastingen worden aangeslagen, hebben stemrecht ( 'censuskiesrecht'). Van algemeen kiesrecht is nog lang geen sprake. Het aantal kiesgerechtigden bedraagt in Schiedam bij de invoering van de wet in slechts 458. Nieuw in 1851 is ook dat de burgemeester geen lid van de gemeenteraad meer kan zijn. Hij wordt door de Kroon benoemd. Aangezien de gemeenteraad qua aantal vrij omvangrijk is, is een dagelijks bestuur noodzakelijk. Naast de burgemeester worden daarom enkele leden uit de raad in het dagelijks bestuur benoemd die de titel wethouder krijgen en door de Kroon worden benoemd. In 1887 heeft aanpassing van de grondwetsartikel een zekere uitbreiding van het aantal kiezergerechtigden tot resultaat. In 1896 volgde een nieuwe poging het kiesrecht uit te breiden. Er komt een nieuwe kieswet. De minimumleeftijd om te mogen stemmen wordt 25 jaar. Betalen van belasting(censuskiezers)  blijft, naast andere, het voornaamste criterium om kiesrecht te krijgen. De verruiming van criteria leidt tot een aanzienlijke toename van het aantal kiesgerechtigden.

In 1917 wordt besloten tot invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Merkwaardig doet aan dat vrouwen nog niet ook direct het actief kiesrecht krijgen, maar voortaan al wel kunnen worden gekozen. Omdat het rechtvaardig wordt gevonden als (vrijwel) alle stemmen invloed zouden hebben op de zetelverdeling, wordt tevens besloten de evenredige vertegenwoordiging in te voeren. Dit komt in de plaats van het tot dan gangbare meerderheidsstelsel met districten. In 1919 wordt door het parlement, een door de vrijzinnig-democraat Marchant, ingediend voorstel voor invoering van het vrouwenkiesrecht aangenomen. Sindsdien kan er op grond van  die wetgeving worden gesproken van algemeen kiesrecht voor parlement, provinciale staten en gemeenteraad. In 1919 is de zittingsduur van de gemeenteraadsleden van 6 naar 4 jaar gebracht en is de regel van periodieke aftreding (om de 2 jaar) van een derde van de raad vervallen.  In hoofdlijnen blijven de posities van gemeenteraad, college van burgemeester en wethouders en die van de burgemeester bestaan tot in 2002 het zogenoemde 'duale stelsel' wordt ingevoerd.

Siem Rosman


Zie verder

Bijzondere onderwerpen

Trefwoorden



> Startpagina > De Geschiedenis van Schiedam
LEES VOOR BrowseAloud
*